Klachten en diagnose
Pijn aan de basis van uw duim bij dagelijkse handelingen is vaak het eerste signaal. Hieronder leest u welke klachten typisch zijn en wat u van het onderzoek bij uw arts kunt verwachten.
Typische klachten
De meest gehoorde klachten bij duimbasisartrose zijn:
- Pijn aan de basis van de duim, ter hoogte van de muis van de hand.
- Pijn bij knijpen, draaien of tillen: bijvoorbeeld een potje openen of een sleutel omdraaien.
- Verminderde knijpkracht: een stevige handdruk geven gaat moeilijker.
- Stijfheid, vooral 's ochtends of na een periode van rust.
- Krakend of klikkend gevoel bij bewegen van de duim.
- In een verder gevorderd stadium: een zichtbare bobbel aan de basis van de duim doordat het bot iets verschuift.
In het dagelijks leven
Veel patiënten herkennen dezelfde handelingen die ineens moeite kosten:
- Een potje of fles openen
- Een sleutel in een slot omdraaien
- Knopen of ritsen dichtmaken
- Een pen of breinaald goed vasthouden bij schrijven of handwerken
- Een tas met boodschappen tillen
- Met een hand een telefoon stevig vasthouden
Wanneer naar uw arts?
Maak een afspraak met uw huisarts wanneer:
- de pijn langer dan zes weken aanhoudt;
- de pijn uw dagelijkse activiteiten of werk in de weg zit;
- u 's nachts wakker wordt van pijn in de duim;
- u een duidelijke vervorming aan de basis van uw duim ziet of voelt;
- er ineens veel pijn ontstaat na een val of stoot.
Hoe stelt de arts de diagnose?
De diagnose duimbasisartrose stelt uw arts meestal op basis van twee stappen:
- Gesprek en lichamelijk onderzoek. De arts vraagt waar en wanneer u pijn heeft en kijkt naar de stand van uw duim. Vaak voert hij of zij de zogenaamde grinding-test uit: licht draaien en duwen aan de duimbasis om te beoordelen of de pijn opgewekt wordt.
- Röntgenfoto. Een gewone röntgenfoto van uw hand laat de mate van slijtage zien: een versmalde gewrichtsspleet, eventueel kleine botuitsteeksels of een verschoven gewricht. Een MRI of CT is meestal niet direct nodig, maar kan ter voorbereiding op een eventuele operatie worden aangevraagd.
Hoe ver is de slijtage? De vier stadia
Om te kunnen zeggen hoe ver de artrose is gevorderd, gebruiken artsen een indeling in vier stadia (de Eaton-classificatie). Zo'n indeling is een vaste maatstaf: elke arts bedoelt er hetzelfde mee. Zo is een foto van nu te vergelijken met een foto van over een paar jaar.
Wat is de "gewrichtsspleet"?
Op een röntgenfoto zijn botten goed te zien, maar kraakbeen niet. Op de plek waar het kraakbeen zit, ziet u daarom een donkere, lege ruimte tussen de twee botjes: de gewrichtsspleet. Bij een gezond gewricht is die spleet mooi open. Slijt het kraakbeen weg, dan wordt de spleet op de foto steeds smaller, tot de botjes elkaar raken zonder de beschermende kraakbeenlaag ertussen. Op de foto hieronder ziet u beide naast elkaar in één gewricht.
Hoe hoger het stadium, hoe verder de slijtage:
- Stadium 1, beginnend: de gewrichtsspleet is nog open, soms zelfs iets wijder door vocht in het gewricht. Het gewricht ziet er bijna normaal uit, maar het kan wel al pijn doen.
- Stadium 2, licht: de gewrichtsspleet wordt smaller omdat het kraakbeen dunner wordt. Aan de randen van het bot ontstaan kleine extra botrandjes.
- Stadium 3, gevorderd: de gewrichtsspleet is grotendeels verdwenen, de botrandjes zijn groter en het gewricht is van vorm veranderd.
- Stadium 4, uitgebreid: ook in het gewrichtje ernaast, tussen het trapezium en het volgende handwortelbeentje, is de gewrichtsspleet verdwenen.
Het stadium helpt uw arts om de juiste behandeling met u te bespreken, maar het zegt niet alles over hoeveel last u heeft: sommige mensen met stadium 4 hebben weinig klachten en andersom.